Panorama zaandam by Tilemahos Efthimiadis

Hij woonde op het Blauwe Pad, vlak­bij de school dus. Als de fluit ging kon je met een beetje geluk nog op tijd komen. De school was streng. Als je niet op tijd achter het hek was, ging dat dicht.

Visser1
Zo zag het eruit toen de Vin­cent van Gogh­weg werd aan­gelegd. Het Mr. Cor­nelis– en het Blauwepad nog gedeel­telijk overeind met de Ambachtss­chool daar achter. Foto genomen vanaf de gashouder.

Ik heb er met plezier op gelopen. Hij ging tim­meren, net als z’n broer. Toen leerde je nog een vak. Con­struc­tieleer, gereed­schap­pen hanteren. Dat mis ik wel nu. Af en toe sprin­gen je de tra­nen in de ogen als je ziet wat ze doen. Dan zeggen ze ‘het zijn jonge jon­gens’. En dat is ook zo, maar het is soms echt bedroevend. Het beroep­son­der­wijs mag wel een beetje beter.

Met de zoge­naamde strengheid heeft hij nooit prob­le­men gehad. Het was goed onder­wijs, dat zouden ze tegen­wo­ordig moeten geven, want nu zijn er overal weer teko­rten aan vak­lieden. Je bent, als je van school komt nog geen vak­man. Maar je hebt the­o­rie gehad, gereed­schap­sleer, je leert je gereed­schap hanteren. Nu, en dat ziet hij op de fab­riek waar hij nog tweeën­halve dag werkt, doen we eigen­lijk nog het­zelfde als hon­derd jaar gele­den, alleen met andere gereedschappen.

Visser4Als de fluit van de Ambachtss­chool ging moest je op tijd bin­nen zijn want die poort ging snel dicht; Japie Brand­hout deed dat. Valk woonde in het huisje naast de Ambachtss­chool. In de oor­log had Valk een tuin­tje achter de school. Visser laat een foto zien van z’n oud­er­lijk huis op het Blauwepad. Als het stor­mde stond het huis te schud­den. Ze waren één van de laat­sten die van het pad vertrokken. Het huis was door z’n vader zelf gebouwd. Het huisje was op een spe­ciale manier gebouwd, met gebo­gen span­ten, alsof je een schip bouwt. Visser haalt het bouwen van kerken aan die in feite gebouwd wer­den als een omge­keerd schip. Er stond een behoor­lijke kracht op dat hout.

Foto: Het huis van de fam­i­lie Visser nog fier overeind op de restanten van het pad.

We had­den diverse ler­aren zoals Mabesonne, daar kre­gen we alge­bra van, Lun­shof, ook teke­nen noem­den ze Pim de Gluiperd omdat hij altijd in de ramen stond te kijken en dan kon hij pre­cies zien wat er achter hem in de klas gebeurde. Van Ebel­ing (Soe­poog) kre­gen ze teke­nen. Op zater­dag het laat­ste uur had­den ze les van hem in het teken­lokaal met die ter­rasver­hogin­gen en Ger­ard Tam­bach en Dirk Brouwer die onder elkaar fluis­ter­den ‘Soe­poog — soe­poog — soe­poog’. Hij hoorde het natu­urlijk wel en hij stond te koken, op het laatst had hij ze te pakken, had ze bont en blauw getrapt; school­bli­jven. De man kon er niet tegen, eigen­lijk jam­mer. Die Doets zei het meteen, dan is het over.


Visser3Ze kre­gen les van Jan Doets, hij zei meteen de eerste keer “ik ben kale Jan”. Het was een duiv­en­melker en hij gaf con­struc­tieleer.
Tim­meren kre­gen ze van Bot en machi­nale hout­be­w­erk­ing van Den Breemer, ‘Piete­nie’ was zijn bij­naam. Toen waren er nog drie tim­merk­lassen per jaar.
De enige excur­sie was de nieuw­bouw aan de Kep­pler­weg in Zaan­dam, duplex­wonin­gen, van­wege de won­ing­nood. Nu zullen ze wel ont-​duplext zijn.

Eén keer in de 14 dagen had­den ze machi­naal van Den Breemer, er ston­den een Lintzaag, vlak­bank, een vandik­te­bank en wat sli­jp­ma­chines. Daar leer­den ze ook slijpen.

Op de foto rechts: ler­aar Jan Doets ‘Kale Jan’, met hele­maal links Jaap Reek die ooit meedeed aan de wereld­kam­pi­oen­schap­pen Tim­meren in Bern (Zwitserland)

Visser2De Ambachtsschool-​jongens waren een bek­end gezicht op het pad. Ze liepen daar in de pauze wel over­heen, met hun over­all aan. Ze liepen via de West­z­i­jde een ommetje. Omdat er blijk­baar iets was uit­ge­haald mochten ze later niet meer met hun over­all buiten lopen.

Foto links: De ingang van het Blauwepad vanaf de West­z­i­jde.

Visser5

Klas T 1 van de Cen­traal Tech­nis­che School. (Eén van de drie tim­merk­lassen) 1948
Voorste rij: v.l.n.r. 2e van rechts Piet Kon­ing, 1e van rechts Teun Hoog­moed.
2e rij: 2e v.l. Jaap de Boer, 3e v.l. Cor Visser, 5e van links Jan Broere, 6e v.l. Meester Lun­shof, 7e v.l. .. Kramer, 8e v.l. .. Vrouwe.
3e rij: 1e van rechts .. Provano
4e rij: 1e v.l. Ger­ard Tam­bach, en 5e v.l. en laat­ste in de rij Jan Kriek

Toen hij van de ambachtss­chool kwam, nam hij al trap­pen aan van zijn vader. Die moest hij uit­slaan, inhakken en zor­gen dat er niets afbrak en dat moest je met de hand doen; niet met een machien­tje. Het gekke was dat hij op de MTS in Ams­ter­dam een onvol­doende kreeg voor de the­o­rie van het maken van trappen.

Visser6Vader had een tim­mer­fab­riek. De broers Cor en Wim werk­ten al in de zaak toen vader Visser in 1963 over­leed. Vanaf dat moment wer­den ze de eigenaren van tim­mer­fab­riek Visser. In 1972 betrokken ze een nieuw pand in de Achter­sluis­polder. Ze knepen hem nog wel even toen de economie in een recessie terecht kwam, maar het gekke was dat zij er eigen­lijk niet veel van merk­ten; genoeg orders. Ze werken er nu alle­bei nog een paar dagen in de week.

Gebrs. Visser in de fab­riek (foto: Zaans Erfgoed)

Armoe

Hij vertelt over zijn moeder die als meisje met haar moeder uit Oost­zaan kwam tij­dens de water­snood van 1916. Ze wilden naar moeder (en opoe) in de Oost­z­i­jde van Zaan­dam, maar dat stond ook al blank. Verdere opvang in Zaan­dam was niet mogelijk en ze wer­den naar Ams­ter­dam ges­tu­urd achter het Con­cert­ge­bouw. Zijn vader woonde op het Hov­e­nierspad en die werd in de Oost­z­i­jderk­erk opgevangen.

Visser7Foto: Gezicht op de ijs­baan en de Westzijde

Hier komt zijn ken­nis van de Zaanse geschiede­nis van pas. Het curieuze is dat bij de Water­snood van 1916 de kist­dam in de Oost­z­i­jde is ges­la­gen door de polder West­zaan. Dat bestuur was bang dat als de Zaan zou vol­lopen ook de polder West­zaan zou onder­lopen. Het polderbestuur van Oost­zaan had er de capaciteit niet meer­voor om die kist­dam te slaan tij­dens de over­stro­ming; het was een chaos. En het zand voor die kist­dam kwam voor een deel uit de plek waar later de ijs­baan van De Noord­pool kwam en nog weer later de Ambachtss­chool aan de Westzijde.

Zijn vader was tim­mer­man en zo rond de jaren ’30 kreeg hij eerst loonsver­lag­ing en een tijdje later kreeg hij ontslag. Toen is hij in 1932, uit armoe, voor zichzelf begonnen. Hij zat in de Tuin der Ned­er­lan­den en daar staan vooraan drie ste­nen wonin­gen. Vader had daar een werk­plaats die hij huurde van Wil­son en die is afge­brand. Hij was laag verzek­erd. Hij heeft daar toen drie wonin­gen gebouwd voor Piet Nat en die moest hij eerst bouwen en toen het klaar was kon hij pas vangen.

Van Piet Nat, die op het Bouw­manspad woonde, kreeg hij later het con­tract van die bouw. Zelf had Visser die papieren ook al gevon­den. Hij vertelde Nat dat zijn moeder (moeder Visser) in die tijd geen geld had om eten te kopen, die kocht alles op de pof. Toen het klaar was had z’n vader een paar centen.

Z’n vader wilde eigen­lijk kip­pen­boer wor­den en op het Blauwepad had­den ze vijf hokken met kip­pen. Dat heeft niet zo lang gedu­urd maar hij heeft nog wel een kas­boekje van zijn vader van die tijd. Daar stond in ‘Geleend van moeder zoveel en zoveel’. ’t Was een armoe.

Visser8Voor de oor­log werd de armoe verdeeld, niet de rijk­dom, maar de armoe. Vol­gens Visser was Ned­er­land voor de oor­log scha­trijk van­wege de koloniën, maar sinds we de koloniën kwijt zijn is het volk scha­trijk gewor­den. Tot 1960 hebben de mensen altijd teko­rten gehad, daarna wer­den ze rijk. In 1972 hebben ze de fab­riek in de Achter­sluis­polder gebouwd en hij heeft het laatst nog eens nagekeken, maar in 6 jaar waren de loonkosten ver­dubbeld. Miss­chien kre­gen ze niet alles in han­den, maar toch wel veel ervan.

Foto: Tim­mer­fab­riek Visser aan de Noorder IJ– en Zeeweg

Armoe is een betrekke­lijk begrip. Kijk maar hier in Poe­len­burg, de arm­ste wijk van Ned­er­land zei­den ze, maar je auto kan je niet meer kwijt. Als je van een uitk­er­ing leeft, dan werkt een ander voor je, dan zou je kun­nen verwachten dat je geen auto meer kunt onder­houden, maar iedereen rijdt er nog in. Mijn groot­vader uit Oost­zaan, een bag­ger­man, hij was toen al in de tachtig, zei: “We kri­j­gen alweer meer”, hij ving toen van Drees. Hij kreeg het niet op, Als ze een appeltje schilden kreeg opoe een helft en hij een helft. Mijn groot­vader is scha­trijk gestor­ven, hij kreeg het niet op, maar zijn behoeften waren niet zo hoog.

Visser9De nabij gele­gen Schilder­s­bu­urt vond hij een min­der­waardige buurt, de ‘kouwe aar­dap­pe­len­bu­urt’ noem­den ze het. Hij had een tante die in de Rem­brandt­straat woonde. Die groette als ze alleen liep, maar als ze met anderen liep deed ze dat niet. Er werd op het Blauwepad neergekeken, ze noem­den het a-​socialen, maar het waren gewoon arme mensen die daar woonden.

Foto: Rem­brandt­straat

Thuis werd gevent met eieren en een bewoner van de schilder­s­bu­urt moest dan om zo en zo laat warme eieren hebben; verse eieren. Dus wer­den die eieren maar onder een broedse kip gedouwd om ze warm te houden. Dat waren toch een paar eieren die je kon verkopen. Dor­jee woonde op de Jan van Goyenkade en had een werk­plaats op het pad en was een eieren­klant. En dan lag er een briefje waarop stond; ‘juf­frouw Visser, van­daag geen eieren’ ondertek­end met Mevrouw Dor­jee. Dus zij was mevrouw en mijn moeder was juf­frouw. Zo waren de ver­schillen toen. Maar in de oor­log ston­den ze met de bon­t­jas aan naar sin­tels te graven.

Na de oor­log wer­den foute Ned­er­lan­ders opgepakt en tijdelijk in de Ambachtss­chool opge­bor­gen. Ook op het Blauwepad wer­den wat mensen opgepakt, Schoep, van ‘Het Indisch Wel­varen’ was een NSB’er, de man heeft nie­mand kwaad gedaan en werd ook opge­haald. Ze wer­den met open kar­ren naar het gebouw van de Vri­jmet­se­laars gebracht. Ver­maat woonde ook op het pad, diens zoon ging naar Duit­s­land, liep met een pak aan en een geweer. Er zaten ook onder­duik­ers op het pad, iedereen op het pad wist het, maar er is nooit iemand aangegeven. Met de Dolle Dins­dag zijn ze gevlucht. Maar goed, toen die BS’ers in de school zaten gin­gen wij daar gamellen uit­likken. Wij hebben nooit bloem­bollen gegeten, maar wel suiker­bi­eten. Die wer­den gekookt en daar maak­ten ze stroop­bal­let­jes van en pan­nenkoek­jes. Visser vond ze wel lekker. Mensen liepen langs de huizen te bede­len om een aar­dap­pel, dat kun je je nu niet meer indenken.

Er zijn zoveel din­gen mogelijk als je wil. Er zijn mensen die zeggen ‘ik heb nooit kun­nen leren’ en die zijn jonger dan ik, ‘we waren te arm’ zeggen ze dan. Ik zat ook niet in een bevoor­rechte posi­tie, ik moest overdag werken en ’s avonds ging ik naar school. Maar als je wil, kan het. Visser heeft in vijf jaar MTS in de avon­duren gedaan, vroeger heette dat ‘Indus­tri­eschool’. Na de Ambachtss­chool heeft hij eerst nog twee jaar VMTO moeten doen als vooro­plei­d­ing naar de MTS. Voor de studie in Ams­ter­dam moest hij een uur eerder van zijn werk weg want om half zes ging de trein naar Ams­ter­dam en om kwart over 11 was hij weer thuis en dan had z’n moeder nog een broodje klaar gelegd. In die tijd werd er ook nog op zater­dag gew­erkt en voor de MTS moesten we soms gevelt­jes opme­ten of land­me­ten en dat deden we op zaterdagmiddag.

Visser10Toen hij in Ams­ter­dam op school ging kwa­men er lege treinen uit Ams­ter­dam de mensen halen die hier werk­ten. Half Ams­ter­dam werkte in de Zaanstreek; Artillerie Inricht­ing, Norit, Bruynzeel, die had­den een eigen sta­tion bij de Hem­brug. Albert Heijn, Simon de Wit, Pieter Schoen, Hille en zo ging het de hele Zaanstreek door.

Iemand die na de oor­log is geboren heeft eigen­lijk nooit armoe gek­end, die heeft alleen maar wel­vaart gek­end, een ongek­ende wel­vaart. Voor de oor­log werkte miss­chien wel 80% in de land­bouw, nu miss­chien nog 4 à 5%. Het is één van de meest gemech­a­niseerde bedri­jf­s­takken van Ned­er­land. Op de wereld­kaart kun je Ned­er­land bijna niet vin­den, maar we zijn wel een van de groot­ste expor­teurs van land­bouw­pro­ducten. Van een agrarisch land voor de oor­log zijn we een indus­triële natie gewor­den na de oorlog.

Ver­loed­er­ing
Cor Visser weet veel van de Zaanse geschiede­nis en heeft z’n eigen ideeën over hoe arm en rijk met elkaar omgin­gen en hoe dat in de tijd is veranderd.

Het mooie was dat in de Oost– en de West­z­i­jde het kap­i­taal woonde en in de zijs­traten en op de paden woon­den de arbei­ders. Maar ze zaten wel bij elkaar in aller­lei verenigin­gen en als er iets gebeuren moest belden ze elkaar op, ze zaten toch alle­maal in de besturen, en dan werd het geregeld. Die grootin­dus­triëlen zijn alle­maal de stad uit­ge­jaagd en wat hebben we een armoedige stad gekre­gen. De bal­ans in de samen­stelling van de bevolk­ing is verd­we­nen, die is weg. Visser is van mening dat de arbei­der van tegen­wo­ordig het beter heeft dan de welgestelde van vroeger, d.w.z. die van voor de Oorlog.

Visser heeft wel eens tegen de vroegere wethouder Sanders gezegd dat hij ver­ant­wo­ordelijk was voor de ver­loed­er­ing van de Indus­tri­eter­reinen omdat er steeds meer van die afgele­gen ter­reinen kwa­men. Ja maar die oude ter­reinen vol­doen niet meer, zei Sanders toen. Nou als een fab­riek niet meer vol­doet, slopen ze die en bouwen ze een nieuwe. En een bedrijf, van toen met duizend werkne­mers, doet dat nu op veel kleinere schaal en pro­duceert miss­chien wel meer. Toen wilden ze de indus­trie uit de stad halen en nu willen ze weer wonin­gen bouwen op de industrieterreinen.

Van de ‘deskundi­gen’ heeft Visser niet zo’n hoge pet op. Ze doen alle­maal het­zelfde, spreken dezelfde taal, hebben op dezelfde scholen gezeten. De ene peri­ode gaan ze alle­maal naar de ‘ker­n­ac­tiviteiten’ en de vol­gende peri­ode moeten ze zich weer met ‘inno­vatie’ bezighouden. Maar een orig­i­neel idee zie je maar weinig, het is alle­maal politiek.

Visser woont aan de rand van Poe­len­burg en er zijn hier tien­tallen miljoe­nen in de wijk gestopt. Hij heeft bijge­houden wat er alle­maal is gebeurd, de eerste aan­teken­ing is van 1985. Hij heeft wel eens tegen de burge­meester gezegd, ’hoe kan het dat hier het ene suc­ces na het andere werd gemeld en het nog steeds een puin­hoop is?’ Elke keer nieuwe plan­nen waarover je mag mee­denken en meep­raten, maar niet meebeslis­sen. En wat te denken van al die miljoe­nen die in deze wijk zijn gestopt, waar is dat geld heen gegaan? Als je met ideeën komt heb je bijna altijd ongelijk.

Er is door de buurt keer op keer gepleit voor camera’s, maar dat was niet nodig zei­den de deskundi­gen. Na die ophef met die vlog­ger kwa­men er plot­sel­ing wel camera’s, was het opeens wel nodig. Het bestuur weet het en ze hebben altijd ‘deskundi­gen’ aan hun kant. “Ik zou wel eens willen weten waar die school staat, van die deskundi­gen”. Poe­len­burg gaat ‘m aan z’n hart.

Joomla tem­plates by a4joomla