Panorama zaandam by Tilemahos Efthimiadis


Ik begin rustig door te rij­den maar nu gaat ze in volle teu­gen door: „Gis­teren heeft hij mij laten zien hoe ik con­tact kan kri­j­gen, met beeld en al, met een dier­bare vriendin uit mijn jeugd. Van toen ik nog een brugk­lasser was. We waren hartsvriendin­nen tot­dat we gin­gen trouwen en ver­huizen. Ze is naar Canada vertrokken en sinds­dien hebben we weinig con­tact. Maar gis­teren wist mijn klein­zoon haar met dit appa­raat te spreken en dat was geweldig. We kon­den elkaar zien. Wat zijn wij ouder gewor­den, maar desni­et­temin, hebben we lang en hartelijk kun­nen klet­sen. Ouwe ver­halen en mop­pen terughalen vanuit het verre verleden. Ik voelde met net weer een tiener. Super geweldig en alle­maal dankzij dit appa­raatje van mijn klein­zoon. „Ze kijkt even blij maar zegt ver­vol­gens met tri­este stem, „dat ik het nu niet aan de praat kan kri­j­gen, het zit vast, oh nee, oftewel,” en er klinkt een sprankje hoop, „hé, wat doet hij nou?” en als ik even in mijn achteruitk­ijk­spiegel kijk, zie ik alleen het topje van haar gebo­gen hoofd.
Ik laat haar verder frieme­lend bezig en richt mijn aan­dacht aan de route. Maar het duurt niet langer dan een min­uut of twee voor­dat kei­hard gepin­gel de rust ver­stoort. Het is de tele­foon van de pas­sagier. Zelf schrok ze zo van het harde geluid dat ze dat ding onmid­del­lijk uit haar vingers liet glip­pen. Het bonkt over de vloer van de bus en belandt naast de in sneak­ers ver­hulde voeten van een jonge man die al een tijdje teruggetrokken, onder oort­jes en petje ver­sc­holen op de achter­bank zat. Zon­der een woord en in een vloeiende beweg­ing raapt hij het toes­tel op en plaatst het terug in haar hand, net als het ding ein­delijk ophoudt met dat gerinkel. Ieder zucht van oplucht­ing. De mevrouw knikt ver­baasd „dank” aan de jon­gen die alweer neerge­ploft op zijn stoel zit, en ik, omdat ik verder rustig wil rij­den. Mijn eigen tele­foon heb ik altijd op tril­stand staan, dat ik anderen en mijzelf tij­dens de rit niet stoor. Die mevrouw is duidelijk bezig met het ont­dekken van soci­aal media maar de bijhorende eti­quette heeft ze niet door, want nu heeft ze weten terug te bellen en op micro­foon­stand ook nog. Het kan niet ver­me­den wor­den, we moeten meeluis­teren in d’r gesprek met haar klein­zoon.
‚Hoi Oma, ik belde net,’ begint het.
„Ja lieverd, ik zit in de bus, de kleine weet je, die buurt­bus ja, die langs rijdt bij ons,” hoor ik haar zeggen, maar voor­dat ze verder kan, zegt de jonge stem, ‚Ja Oma, ik heb hier een hele­boel berichten net ont­van­gen maar die staan alle­maal leeg, geen inhoud er in. Is alles goed met jou, Oma?’ en hij klinkt bezorgd. Wat een lieverd, denk ik dan.
„Ik weet het niet, hoor, bericht­jes, zeg je?” vraagt ze nader, „nee hoor, daar weet ik niks van. Ik wilde alleen Henny weer spreken. Ik wilde haar de dorp­sweg laten zien. Maar ik weet het niet meer,” eindigt ze op ver­warde toon.
Omdat ik bij een halte sta, draai ik me om. De vrouw staart naar haar tele­foon, vinger drukkend en fron­send tegelijk­er­tijd.
„Nou Oma,” hoor ik de jon­gen roepen, „in Canada is het op dit tijd­stip in de vroege uren en ik ver­moed dat ze ligt te slapen nu. Daar­voor kun­nen we beter een afspraak met haar maken. Ik kom vanavond langs om er naar te kijken maar ik moet er snel van­door naar voet­bal. En ik moet nu echt gaan, Oma, want de lez­ing gaat zo begin­nen en ik zit in een drukke zaal hier, dus, tot later.” En met een dikke doei was hij weg, zon­der dat ze de gele­gen­heid kri­jgt om wat terug te zeggen.
Haastige jon­gen die toch de tijd even neemt voor zijn Oma. Ze boft zo.
„Won­der­baar­lijk wat er alle­maal mogelijk is tegen­wo­ordig,” zegt ze, „maar ook ver­war­rend,” ze zucht, „ik weet het niet.” En nog zuch­t­end kijkt ze naar haar tele­foon­scherm. Dan kijkt ze uit het raam.
„Oh!Oh!” roept ze weer, „hier moet ik er uit.”
„Hier pre­cies of bij de vol­gende halte?” vraag ik, want op zo’n rustig stukje weg mag ik ook tussen haltes even stop­pen om iemand uit te laten stap­pen.
„Oh! Oh!” roept ze weer, „hier als het even kan, want nu moet ik een stukje terug lopen.” Afgeleid door haar tele­foon, nog altijd vast­geklampt in haar hand, loopt ze onhandig naar voren. Ik maak de deur open en roep, „Vergeet niet uit te checken,” omdat ze al op de laat­ste tree stond.
„Oh! Oh!”, roept ze opnieuw, deze keer frieme­lend in haar tas. De OV-​pas komt te voorschijn en ze ver­laat de bus.
Als ik weg rij zie ik haar nog, totaal onbe­wust van de omgev­ing, nog starend naar haar tele­foon. Een per­fect voor­beeld van de voor– en nade­len van leven in deze zoge­noemd info age.

Joomla tem­plates by a4joomla